'De-IVOREN-ganzenveer'-cover-3DSponsorkindjes
door Christiaan van der Veen

„Eten!” klonk het luidkeels onderaan de trap. „Nu!”
Het duurde niet lang of daar kwam ons tweetal jonge tieners aangestommeld — meer nog aangetrokken door de heerlijke geur die zich al even door het huis verspreid had, dan door mijn vocale aankondiging van het middagmaal. Nú hadden ze nog vakantie, maar dat feest zou niet lang meer duren: over enkele dagen zou de warme maaltijd weer noodgedwongen naar het einde van de middag verhuizen. Ook zou Mireille van twaalf voor het eerst naar de middelbare school in de stad gaan en daardoor niet meer thuis kunnen komen voor de middagmaaltijd.
„Wie het laatst aan tafel zit is een kalkoen!” gilde Lennard, die de kamerdeur open gooide en zichzelf met zijn dertien jaar nog nèt niet te groot vond voor dat soort spelletjes. Dat zou gauw genoeg gaan komen, voorzag Angela, hun moeder. Ze genoot dan ook nog volop van de spontane wildebras met zijn rode krullenbos, die Mireille met haar precies even rode maar steile haar behendig de weg versperde terwijl hij gauw op zijn plek ging zitten.
„Hoooo!” riep Angela. „Eérst handen wassen, allebei!”
„En gauw wat, anders wordt mijn eten koud!” voegde ik er met een knipoog naar mijn echtgenote aan toe.
De krullen had Lennard van mij geërfd. Het steile kapsel van Mireille was een geschenk van haar moeder, die een zwarte paardenstaart droeg. De diepwarme kleur die door broer en zus gedeeld werd, was een resultaat van de combinatie. Angela en ik vonden het allebei een mooie zichtbare manifestatie van onze liefde.

„Haha!!!” lachte Mireille, die de race naar de keuken won doordat haar broer eerst weer op moest staan. Van bij de tafel waren ze niet te zien, maar het stoeipartijtje vormde een genoeglijk hoorspel: ze gunde hem géén plaats bij de kraan voor ze daar zelf klaar was. Vrolijk spottend deelde ze hem alvast mee, terwijl ze in sneltreinvaart haar handen afdroogde: „Nou ben jij zo de kalkoen — iiiek!!!”
„Lennard, laat je je zus een beetje droog?” vroeg ik, zonder het te menen — of te geloven dat Mireille op dit moment überhaupt nog droog was.
„Nee!” kreeg ik van zoonlief terug, terwijl Mireille de kamer binnenstoof om op haar stoel te schuiven, die bijna kantelde.
„Jij bent de kalkoe-hoen!!! Jij bent de kalkoe-hoen!!!” zong ze, terwijl Lennard gelaten aan tafel kwam, maar opfleurde met de ontdekking: „Hééj! Post!!!”
„Huh?” keek nu ook Mireille. „Oh! Ja!!! Leuk!”

„Ho! Stop,” maande ik het tweetal, dat al met de markante enveloppen in de handen zat en op het punt stond die open te ritsen. Ik herhaalde mijn motief: „Eérst even beginnen, anders wordt mijn eten koud.”
Wij zijn gewend de maaltijd te openen met een kort gebed — kort, omdat het in de ogen van vooral de kinderen zo jammer is als hun eten koud wordt. Toen ze jonger waren en uit gewoonte hun gebedje oplepelden, ging het vaak in sneltreinvaart en waren de gebeden niet meer dan een afgeraffeld “Here dank u voor deze spijze amen!” — wat in ons gezin geïntroduceerd was nadat de toen vierjarige Mireille een keertje bij een vriendinnetje thuis gegeten had en bij hoog en bij laag beweerde dat ze dat schietgebed daar kenden als “Here zegen spijkers eten, amen.” Om redenen die zichzelf verklaren, hebben wij die creatieve versie niet geadopteerd. In de jaren die volgden zijn we echter wel aan de slag gegaan met een meer persoonlijk dankwoord in de richting van de Heer. Ook ‘de arme kinderen’ in het algemeen kwamen al gauw in die gebeden voor — en wat is er nou een betere stimulans voor gebed dan een eigen persoonlijke briefwisseling met één van die vele kinderen? Toen we verkering hadden, ‘hadden’ Angela en ik samen een sponsorkindje. Nu we een gezin waren, ‘hadden’ we er twee — een jongen en een meisje — en nee, daar was géén “die is van mij!” bij. Die fase hadden Lennard en Mireille een paar jaar eerder al doorlopen, toen we een nest kittens op zolder hadden hobbelen. Mensenkinderen lenen zich niet voor dat soort exclusiviteit, en dus beschouwden wij deze twee sponsorkindjes als ‘een broertje en zusje op afstand’. Die afstand werd trouwens gevormd door de driehoek Kenya-Nederland-Ecuador.
Mireille was aan de beurt om te bidden voor het eten — en ze sloeg een dankwoord voor de nieuwe brieven niet over.

Terwijl ik het deksel van de dampende pan lichtte om eindelijk te mogen zien wat die heerlijke geur veroorzaakte, openden de kinderen hun post.
„Ik heb die van Evangeline!” glunderde Lennard al. Ten overvloede kaatste Mireille: „En ik die van Juan!”
Heerlijk. Vijf minuten van vredige rust aan tafel maken we niet vaak meer mee, maar post uit het buitenland versterkt de kansen. Angela en ik wisselden veelzeggende blikken — nú kon het even, zonder dat de kinderen flauwe opmerkingen maakten: ze merkten het nu tòch niet op, zo verdiept waren ze in het verwerken van het Engels. Regelmatig las één van beiden aftastend een woord of zin voor, in de hoop de juiste uitspraak te treffen en in het volste vertrouwen dat Angela of ik met de gezochte vertaling te hulp zou schieten.
Ik had Angela’s bord en het mijne al volgeschept met rijst en kruidige hachée, voordat Lennard als eerste opkeek en zei: „O vèèèt! Ze hebben een paar kippen gekocht en een geit, van ons geld!”
„Juan heeft nieuwe kleren gekregen,” antwoordde Mireille, zoals altijd minder geïnteresseerd in de materiële dingen. „Maar zijn oom is ziek — hij vraagt of we voor hem willen bidden. Heeft dat nog zin? De brief is al van meer dan anderhalve maand terug!”
„Natuurlijk!” reageerde Angela meteen. „De Heer wist toen toch óók al dat jij nú pas van die zieke oom te horen zou krijgen? En Hij wist toch óók al dat jij nú voor hem zou gaan bidden? Dat gebed van jou kan Hij inmiddels al rustig verhoord hebben, hoor…”
„Huh? O ja!” puzzelde Mireille even, voordat ze het concept oppikte. „Maar dan moet ik het nog wèl bidden, hè? Haha, grappig!”
„Tja, we weten tenslotte niet, hoe het nú met die oom is, maar wèl hoe het zes weken geleden met hem ging,” filosofeerde Mireille na een paar tellen stilte verder.
„Evangeline schrijft dat ze elke dag voor ons bidt,” meldde Lennard, die zo te horen niet bij zijn zus achter wilde blijven in diepgang. „Dat de Here Jezus ons in alles zal zegenen…”
„Hé, dat bidden wij ook voor hen!” ontdekte Mireille vrolijk. Lennard keek op en zei: „En ze bidt voor jouw nieuwe school — maar dat mag je zelf allemaal lezen.” Daarmee gaf hij haar de brief uit Kenya aan, over mijn hachée heen. Mireille liet Juans brief in Lennards handen overgaan, waarna de vredige vijf minuten opnieuw begonnen.

„O, wat grappig,” klonk Mireilles stem halverwege dat tijdsbestek. „Ze schrijft het eerste deel aan ons als gezin, maar halverwege begint ze ineens ‘Dear Mireille, dear daughter of my sponsors…’ — haha, dus eigenlijk zijn wij óók sponsorkindjes, Lennard!”
„Huh?” reageerde haar broer, die nog aan de tweede brief bezig was. Angela en ik lachten al om haar ontdekking.
„Nou, wij zijn toch de kinderen van hun sponsors!?” glunderde zij bij dat succesje.
„Ja, als je het zó bekijkt,” grimaste Lennard, maar Mireille liet haar gedachten de vrije loop en deelde de wandelroute die ze namen enthousiast met ons drieën: „En wij bidden voor hen, maar zij bidden net zo hard voor ons — of misschien nog wel harder!”
„Maar zij krijgen geld van òns — niet andersom!” prikte Lennard zo onbewogen als hij maar kon een gaatje in haar redenatie.
„O ja? Nou, maar zij bidden voor ons! En daarom krijgen wij natuurlijk geld van de Heer — zodat wij hun sponsors kunnen zijn! Dan zijn wij een doorgeefluik omdat zij daarom bidden, en… euhm… Klopt dit nog? Hihi!”
Mireille was nu goed op dreef. Angela en ik wisselden verraste blikken bij dat nieuwe perspectief van onze jongste, die intussen ongeremd verderging: „Maar ‘effe’ serieus: wij dènken wel dat wij zo goed zijn omdat we een paar ‘arme kindjes’ sponsoren, maar misschien zijn zij wel eigenlijk ònze sponsors! Wie weet!?”
Er viel een korte stilte. Mireille bloosde nu hevig.
Ik schatte in dat het deels uit verontwaardiging was; deels uit schaamte over haar felle preekje. Lennard haalde nonchalant zijn schouders op en vroeg: „Is ’t belangrijk?”
„Misschien niet, misschien wel,” besloot ik de leiding in dit gesprek te nemen. Dit soort situaties wilde nog wel eens tot onverkwikkelijke woordenwisselingen aan tafel leiden. „Wat ik wèl weet, is dat we allemaal belangrijk zijn voor elkaar… en dat we over en weer allemaal elkáárs sponsorkindjes zijn. Wat vinden jullie dáárvan?” Aan de bevestigende hoofdknikjes te oordelen, werd dat als een acceptabele conclusie gezien.
Ik nam de opscheplepel weer ter hand en vroeg: „Wie mag ik sponsoren met hachée? Het is nú nog warm…”

***'De-IVOREN-ganzenveer'-cover-3D

Bron: C. van der Veen: „De IVOREN ganzenveer …en andere verehalen”, Veenendaal, 2015, ISBN 978-94-92245-00-7

Copyright © 2015 door Christiaan B. J. van der Veen, EsQuizzy
Overgenomen door compassion.nl met toestemming van de auteur.

website uitgever: www.esquizzy.nl
webpagina verhalenbundel: www.esquizzy.nl/de-ivoren-ganzenveer.php

© 2011-2017 Compassion Nederland. Alle rechten voorbehouden.